Geactiveerde Partiële Tromboplastinetijd
Doel
Screening van secundaire hemostase: (de activiteit van stollingsfactoren in) de intrinsieke route van de stollingscascade
Algemeen
De Geactiveerde Partiële Tromboplastinetijd (aPTT) is een screenende stollingstest waarmee een globaal inzicht van de (functionele) aanwezigheid van de factoren van de intrinsieke stollingsroute XII, XI, IX, VIII, X, V, II (protrombine) en fibrinogeen verkregen wordt. Daarnaast wordt de aPTT gebruikt voor het monitoren van antistolling middels ongefractioneerde heparine (UFH) en voor de screening op lupus anticoagulans. Het is aanbevolen om de aPTT te beschouwen in combinatie met de PT.
Interpretatie
- Er is mogelijk een tekort van de factor(en) XII, XI, IX, VIII, X, V, II en/of fibrinogeen
- Er is mogelijk een remmer aanwezig tegen een van deze factoren
- Er is mogelijk sprake van een lupus anticoagulans
In combinatie met een normale PT
- Aangeboren tekorten zoals bij hemofilie A (factor VIII) en hemofilie B (factor IX)
- Gebruik van anticoagulantia zoals heparine of, in hoge dosis, anti-factor Xa preparaten
- Verworven antistoffen tegen specifieke factoren
- Verworven antistoffen tegen lupus anticoagulans
In combinatie met een verlengde PT
- Verminderde aanmaak bij ernstig leverlijden
- Verminderde aanmaak bij vitamine K deficiëntie (o.a. door malabsorptie, vitamine K antagonisten)
- Verhoogd verbruik bij diffuus intravasale stolling
- Verlies via urine bij nefrotisch syndroom
Proteolytische afbraak
Hyperfibrinolyse
Erfelijke deficiëntie fibrinogeen, Factor II, V of X (zeldzaam)
Aanwezigheid van een remmer tegen factor II, V of X (zeldzaam)
- Er is voldoende functioneel factor XII, XI, IX, VIII, X, V, II en fibrinogeen aanwezig.
In combinatie met een normale PT
- Aangeboren tekorten zoals bij hemofilie A (factor VIII) en hemofilie B (factor IX)
- Gebruik van anticoagulantia zoals heparine of, in hoge dosis, anti-factor Xa preparaten
- Verworven antistoffen tegen specifieke factoren
- Verworven antistoffen tegen lupus anticoagulans
In combinatie met een verlengde PT
- Verminderde aanmaak bij ernstig leverlijden
- Verminderde aanmaak bij vitamine K deficiëntie (o.a. door malabsorptie, vitamine K antagonisten)
- Verhoogd verbruik bij diffuus intravasale stolling
- Verlies via urine bij nefrotisch syndroom
Proteolytische afbraak
Hyperfibrinolyse
Erfelijke deficiëntie fibrinogeen, Factor II, V of X (zeldzaam)
Aanwezigheid van een remmer tegen factor II, V of X (zeldzaam)
- Er is een verhoogde aanwezigheid van één of meerdere stollingsfactoren (meestal factor VIII en/of fibrinogeen)
- Acute fase door infectie of trauma
- Inspanning of stress
- Zwangerschap
- Gebruik van Emicizumab of recombinant FVIII/IX
- Gebruik van Desmopressine (DDAVP)
Principe
De aPTT wordt bepaald met een "stolmethode", en meet de tijd in seconden tussen het activeren van de intrinsieke stollingsroute en het vormen van een fibrinestolsel. De vorming van het stolsel wordt met een optische of mechanische detectie gemeten en berust op het feit dat gestold plasma minder licht doorlaat of visceuzer is dan ongestold plasma. Door het verschil in deze eigenschappen in de tijd te meten kan de vorming van een stolsel vervolgd worden. De test wordt uitgevoerd bij 37°C.
Afhankelijk van de gebruikte analyser, betreft de gerapporteerde stoltijd het moment waarop 50% van het stolsel gevormd is, óf het moment waarop de versnelling van de vorming van het stolsel het hoogste is.
Voor de bepaling van de aPTT wordt bloed ontstold met citraat, een milde calcium-chelator, wat activatie van de verschillende stollingsfactoren voorkomt. Een gecontroleerde activatie vindt vervolgens in twee stappen plaats; eerst worden fosfolipiden (tromboplastine) en een contactactivator (silica, elaginezuur of kaoline) aan het plasma toegevoegd (stap 1). Deze stoffen zorgen, samen met prekallikreïne(PK)- en hoogmoleculair gewichtskininogeen (HK), voor activatie van factor XII in XIIa, die vervolgens factor XI activeert in XIa. Daaropvolgend worden calciumionen toegevoegd aan het monster (stap 2), waardoor de activatie van de overige factoren mogelijk wordt.
Richtwaarde
De aPTT wordt uitgedrukt in seconden. In de meeste laboratoria gelden referentiewaarden van ongeveer 20-35 seconden. Omdat er grote variatie is in reagentia en apparatuur, is het zeer belangrijk om de referentiewaarden van het eigen laboratorium te hanteren.
Valkuilen
- Er dient aandacht te zijn voor de pre-analytische fase.
- De aPTT is geen realistische representatie van de stolling in vivo. De relatie tussen de aPTT en de aanwezigheid van, en de mate van, een bloedingsneiging is matig.
- De aPTT is geen gestandaardiseerde test, wat betekent dat de samenstelling van de test per laboratorium kan variëren en de uitslagen tussen laboratoria maar beperkt vergelijkbaar zijn.
- Vanwege de wisselende samenstelling van de fosfolipide-component van de test, is niet elke aPTT even gevoelig voor de aanwezigheid van een lupus anticoagulans (LAC).
- De aPTT is doorgaans pas verlengd wanneer de activiteit van een of meerdere van de betrokken factoren lager is dan 50%.
Medicatie
- De aPTT is verlengd bij toediening van ongefractioneerde heparine aan de patiënt, of bij contaminatie van het afgenomen bloed met heparine.
- De effecten van directe orale anticoagulantia verschillen per middel en aPTT reagens.
Bronnen
- Souverijn, J. H. M., Goswami, P. R., Schreurs, M., Tax, M., & Wielders, J. P. M. (2020). Handboek medische laboratoriumdiagnostiek. Prelum.
- Dacie and Lewis Practical Haematology. (2017). Elsevier. https://doi.org/10.1016/c2014-0-01046-5
- Kaushansky, K., & Levi, M. M. (2017). Williams Hematology Hemostasis and Thrombosis. McGraw-Hill Education.
Laatst bijgewerkt op
08-11-2022